NIEUW(S) / info: Conciergerie@petiteshistoires.be

Stollingswarmte

Platduits ( Plattdeutsch, Plattdüütsch) of gewoonweg Nederduits is een variant van het Duits die vooral in het Noorden van Duitsland wordt gesproken (Nedersaksen en alles erboven) maar ook bijvoorbeeld in het uiterste Zuiden van Denemarken en in het Oosten van Nederland. Fonetisch lijkt het met enige fantasie wel wat op het Nederlands, in elk geval meer dan het Duits. Dat merk je ook wel aan eigennamen en plaatsnamen waar soms een merkwaardige Nederlands klinkende draai in zit (Stade bv). Je haalt er de Platduits-sprekers vaak zo uit omdat ze, wanneer ze Duits praten, de 'st'-of 'sp'-klank op z'n Nederlands uitspreken en niet op z'n Duits waar de 's' , wanneer die voor een t of een p komt, als de Franse 'ch' klinkt ( als in 'chemin'). De kettingrokende voormalige Bondskanselier wijlen Helmut Schmidt kon, hoewel hij van het meest voortreffelijke Engels sprak dat ik ooit bij een Duitser heb gehoord, z'n noordelijke afkomst in z'n Duits niet verhelen .
Behalve in de voornoemde landen worden ook varianten van het Nederduits overzee gesproken door erfgenamen van geëmigreerde Duitsers: in Canada en de VS waar het als 'Plautdietsch' bekend staat en in Brazilië waar het Pomerano wordt genoemd ( en zelfs een erkende officiële taal is) naar de landstreek Pommeren ( nu grotendeels in Polen) waar de meeste inwijkelingen vandaan kwamen.
Wellicht vanwege de verwantschap met het Nederlands heeft Lucienne Pruijs, de vertaalster van de roman 'Het Oude Land' van de Duitse schrijfster ( en taalwetenschapster ) Dörte Hansen (1964) de sporadische Platduitse zinnen die erin voorkomen slechts af en toe vertaald. Het is waar dat je in een aantal gevallen begrijpt wat er bedoeld wordt, desnoods uit de context, maar in andere gevallen kan iemand die het gesproken Duits niet machtig is met wat er fonetisch neergeschreven staat niet veel aanvangen. Neem het woordje ' moin' dat herhaaldelijk terugkomt in het boek en eigenlijk niet uitgelegd wordt. Het is zo'n woordje dat ontstaan is in Noord-Duitsland maar dat je intussen over het hele Duitse grondgebied kunt horen ( misschien niet in Beieren) maar daarnaast ook in Luxemburg, Denemarken ( waar het 'mojn' gespeld wordt) en in bepaalde delen van Nederland. Het staat eigenlijk voor 'goede morgen', waarbij enkel de 'morgen' is overgebleven en als 'moin' wordt uitgesproken. Het is Intussen danig geëvolueerd dat het niet enkel 's ochtends als begroeting wordt gebruikt, maar ook 's middags of 's avonds . Er is overigens nog een andere mogelijke etymologische verklaring voor moin ; het zou ook kunnen dat het gewoon geworteld is in het Nederlandse 'mooi' ( iemand een mooie dag toewensen). Spijtig dus dat die bijkomende woordverklaringen niet worden meegegeven, te meer daar in het boek van ( taalexperte) Hansen de taal gebruikt wordt om er een beeld van een uitstervend ras mee op te trekken; de plattelandsbewoners van het marsgebied rond Hamburg in wier taal de medeklinkers met de strakke winden zijn weggewaaid en in de langgerekte klinkers ( Hüüs voor huis) het geweeklaag resoneert van generaties die allemaal wel eens op een onzalige ochtend ' de Elbe in hun beste kamer hebben zien staan.
Het is door deze verankering in het marsgebied dat de Duitse literatuurkritiek het wat moeilijk had met dit boek dat (sowieso al suspect) meteen een kaskraker werd: in 2015, toen 'Altes Land' door Albrecht Knaus Verlag werd uitgegeven ging het 400.000 maal over de toonbank en won het de prijs van de Duitse boekhandel. Er hangt een zweempje 'Heimatroman' rond het boek, dat valt gewoon niet te ontkennen, maar tegelijk tilt Hansen haar roman verrassend moeiteloos naar een hoger plan door er een stuk bijna vergeten en tragische Duitse geschiedenis doorheen te weven, door de uitgesproken feminiene thematiek, de ont-romantisering van het platte land en kriskras daar doorheen de magistrale typering van de soms knorrige en kortaangebonden , dan weer hopeloos en wijdlopig in hun wereldbeeld verstrikte mensen en hoe die elkaars signalen niet begrijpen wat soms tot grappige situaties leidt ( zo ziet de stadse intellectueel zijn dure,meegebrachte maltwhiskey bij de boer aangelengd worden met Sprite..)
De tragische geschiedenis die door het boek waart is dat van de voormalige inwoners van Oost-Pruisen die opgejaagd door de oprukkende Russen in de ijskoude januari-maand van 1945 uit hun geboorteland verdreven werden en in wat van Duitsland overbleef een nieuw bestaan dienden op te bouwen . Vaak werden ze daar vijandig bejegend en uitgescholden ('Polakken') en zouden ze de rest van hun leven verteerd worden door een onstilbaar verlangen naar het 'Land der dunklen Wälder, zoals het in het lied heet ( land van donkere wouden). Die vlucht was een erg traumatische belevenis , een lijdensweg die intussen uit het collectieve geheugen lijkt weg te sijpelen en Hansen komt erop terug omdat één van de hoofdpersonen het als kind meemaakte. De beschrijvingen van moeders die kniehoog in de sneeuw hun bevroren babies nog eens extra toedekten vooraleer hen onder de blote hemel achter de laten, de vrouwen die volledig uitgeput eerst hun kinderen en dan zichzelf in de ijskoude bossen ophingen, ze zijn erg aangrijpend en Hansen toont de weg naar de copingsmechanismen die daaruit zijn voortgekomen en die voor iedereen weer anders maar nooit zonder intense tragiek , nooit zonder verwonding zijn in de omgeving of diep in de zieleroerselen van hen die het hebben meegemaakt, ook al waren ze toen nog kleuters , of zelfs gewoon de na de oorlog geboren dochters van de moeders. Er is een mooi en treffend oxymoron nodig om dat de lezer indringend duidelijk te maken. Het oude land, de streek ten Zuidwesten van Hamburg is een fruitstreek ( appels en kersen) waar ze net als bij ons in Limburg de vruchtvorming tegen nachtvorst beschermen door haar , gek genoeg , te bevriezen . De ontstane stollingswarmte zorgt voor de bescherming. Dat is zo ongeveer ook wat met die getraumatiseerde moeders is gebeurd, die nooit meer kunnen vergeten hoe je over lijken moet lopen, nooit meer kunnen vergeten hoe aan bomen opgehangen mensen eruit zien, hoe ze, tegen de knalwitte achtergrond van de sneeuwlucht op bladmuziek lijken, noten aan de balken van kale essen. Die beelden lijken , verstard door de vrieskou, opgesloten in hun hoofden voor de rest van hun leven en worden op de één of andere wijze even onzichtbaar als mysterieus aan hun kinderen doorgegeven ( intussen weten we dat traumatische ervaringen via de genen kunnen worden doorgegeven). .
'Het oude land' draait in hoofdzaak om twee vrouwelijke hoofdpersonen , de een de dochter van de uit Oost-Pruisen gevluchte vrouw , de ander de kleindochter maar niet in rechtstreekse lijn, dwz de een is de nicht van de ander. Beiden lopen verloren in hun leven, drijvende ijsschotsen zonder echte verbindingen . Ze bijten van zich af, zijn slecht in conversaties, worden door anderen niet ernstig genomen omdat ze zich niet bekommeren om de waan van de dag en weinig ophebben met de conventies die bij het samenleven horen. In hun becommentariëring op de wereld , de innerlijke monoloog, voeren milde spot en ironie de boventoon, wat hen bij elkaar houdt maar tegelijk ook de lezer in het verhaal. Wanneer de nicht door haar vriend wordt bedrogen vlucht ze met haar kind naar het platte land en trekt bij haar niet geheel sporende tante in. De tante woont met haar hond , twee Thrakeners , een neurotische buur en de herinneringen aan een in Stalingrad getraumatiseerde stiefvader in een oude verwaarloosde boerderij. Die boerderij,opgetrokken in traditioneel vakwerk en met een rieten dak wordt samen met de in huis ronddartelende peuter voor de twee vrouwen de basis voor een verbinding, die eerst nog schoorvoetend en angstvallig is, maar dan wanneer de een de ander leert hoe ze Thrakeners kan bedwingen , steeds sterker wordt. De Thrakeners vormen mee de brug met Oost-Pruisen, dat sinds jaar en dag een land van paardenfokkers was. Thrakeners , genoemd naar het dorp Thrakenen ( nu Jasnaja Poljana) zijn warmbloedige sportpaarden, bij zonder gegeerd in de dressuur. Tijdens de vlucht van de bevolking van Oost-Pruisen in januari 45 maakten ook veel Thrakeners deel uit van de wanhopige tocht over het dichtgevroren Wislahaf ( Duits: Frisches Haff) en velen vonden er ook de dood.

Sinds de val van de muur is een bezoek aan het oude moederland voor veel Duitse nakomelingen die opgegroeid zijn met de verhalen erover, geen onoverkomelijke hindernis meer, ook al heet Königsbergen nu Kaliningrad en zijn vele oude boerderijen nu onherkenbare, overwoekerde bouwvallen. Ook in het boek wordt zo'n reis treffend beschreven, die eindigt bovenop een toren in het Mazurische Frombork ( vroeger Frauenburg) waar wezenloos wordt uitgekeken over het haf en de bocht van Danzig waar zoveel van 'hun' mensen opgejaagd en beschoten door Russische jachtvliegers , omkwamen. Omdat het zomer is en er zoveel jaren overheen zijn gegaan, is het zelfs voor deze nakomelingen moeilijk zich een beeld te vormen van een gebeurtenis die ze uit de eerste hand kennen en die hun leven vorm heeft gegeven. 'Het oude land' is geschreven nog voor de grote vluchtelingenstroom in Europa op gang kwam, maar onverrichterzake moet je eraan denken en tot het besef komen dat we snel vergeten en weinig leren uit de geschiedenis die daardoor met de mens een wreedaardig spel kan blijven spelen . Zelfs wanneer vluchtelingen dezelfde taal spreken, dezelfde godsdienst aanhangen en net de meest verschrikkelijke omstandigheden hebben overleefd worden ze door hun medemensen nauwelijks gedoogd. Hansen laat zien dat dergelijke omstandigheden ook bij nakomelingen die het slechts van horen zeggen hebben onuitwisbare sporen nalaat. Daarnaast hekelt ze ook het intellectuele paternalisme dat het platte land vooral wil heropvoeden en die met hun idealisering eigenlijk vooral neerbuigend zijn. Maar ze gaat ook de halsstarrigheid van de (fruit)boeren niet uit de weg die vaak even verfijnd denken als ze met hun tractoren door de dorpen scheuren.
Je snapt onmiddellijk waarom 'Het oude land' zo vlot van de toonbank is gegaan; het is gewoon een goed geschreven boek, onderhoudend, met een fijne laconiek-ironische ondertoon en net afwisselend doordat Hansen soms dezelfde gebeurtenissen vanuit een ander personage beschrijft. Toch wordt het ook aangrijpend, wanneer de vlucht wordt beschreven of in de passage waar de vrouw , staande voor de vervallen boerderij in het verre Oost-Pruisen op zoek gaat naar haar moeder door met een schopje wat aarde uit te graven om in een plastic zakje terug mee naar huis te nemen.
Het zal voor Hansen nog een hele karwei worden om na dit sterke debuut met een tweede boek voor de dag te komen.
Het oude land is ook daadwerkelijk hoe de inwoners hun duidelijk afgelijnde landstreek noemen. In het Nederduits klinkt het als 'Olland', wat etymologisch afstamt van de 'Hollanders' die in de twaalfde eeuw dit zompige marsland ontgonnen zoals ze dat later ook nog zouden doen in Mazurië.

Het oude land / Dörte Hansen / Harper Collins 2016/ 285 blz

 

 

Zwaluw uit een vroeggestorven lente

De openingsavond van het kersverse Internationale literatuurfestival BRU TAAL in Brugge werd afgesloten door de Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun. Het was alles behalve een slaapverwekkende avond daar in Brugge maar je kon je toch niet van de indruk ontdoen dat Almadhoun met zijn treurzang op zijn geboortestad Damascus een krachtig orgelpunt plaatste en het publiek met zijn met hallucinante beelden volgespoten verzen in hun zetels gekluisterd hield. Deze even ongeslepen , brute als weerloze woordenstroom dansend in een nu eens woedend dan weer larmoyant , ontsteld, fragiel of cynisch klinkend, wondermooi Arabisch , schudde de burgerij in het velours uit hun zelfgenoegzaam vrijdagavonduitje haast even sterk en misschien zelfs nog een beetje meer dan de ruïnes, de 4WD’s gevuld met schreeuwlelijkerds en Kalashnikovs en de hospitaalridders van Artsen zonder Grenzen tijdens het avondjournaal.
Zoals Cees Nooteboom ’s anderendaags tijdens een interview zou zeggen kwam dat evenzeer door de surrealistische wreedheid van de metaforen als door de voordrachtskunst van de dichter zelf die, geconfronteerd met een publiek dat hem niet begreep , er met zijn stem voor zorgde dat het hem van naaldje tot draadje verstond. De geprojecteerde simultaanvertaling was een hulp voor lezers die het niet gewend zijn poëzie te lezen. Voor de anderen volstond het de ogen te sluiten en te luisteren naar de treurzang van een als man vermomde jongen wiens herinneringen aan flarden zijn geschoten.

Ghayat Almadhoun werd in 1979 in een Palestijns vluchtelingenkamp in Damascus geboren uit een Palestijnse vader en een Syrische moeder. Hij studeerde Arabische literatuur aan de universiteit van Damascus. Toen in december 2010 in Tunesië de Arabische Lente ontstak en in geen tijd overwaaide naar andere Arabische landen zorgde dat niet enkel voor een politieke aardverschuiving (die in de meeste landen weinig hoopgevend eindigde) maar ook voor het verschijnen van een nieuwe generatie geëngageerde schrijvers die dit scharnierpunt gebruikte om hun stem te laten horen. Almadhoun is zo’n zwaluw uit de Arabische lente die evenwel door de eindeloze hongerwinter in zijn geboorteland ( die voor de Palestijnen in Syrië al decennia aan de gang is) noodgedwongen de omgekeerde trek is aangegaan. Hij woont nu in Stockholm , kniezend, vol schuldgevoel en met een onstilbaar verlangen naar het zuiden wanneer we zijn in het Zweeds omvertaalde bundel ‘Till Damascus’ mogen geloven , die in 2014 als ‘Weg van Damascus’ door Uitgeverij Jurgen Maas op de markt werd gebracht. Veel van zijn gedichten zijn vertaald in het Duits, Italiaans, Sloveens Engels, Deens , Chinees en het Grieks. Wie de moeite neemt om de interviews die met hem zijn gemaakt , te lezen, die krijgt een inzage in het gekwelde leven van een door de omstandigheden gedeporteerde , in de tragiek van de Palestijnen die ook in Syrië als uitschot behandeld worden, maar ook in een moedeloze berusting in de condition humaine die doet denken aan de uitspraak van Kofi Annan die de pas uitgegeven , even wreedaardige als laconieke roman ‘Inhumaines’ van Philippe Claudel voorafgaat : “l’homme est un risque à courir”.

 

De truukjes van de glazenmaakster

Glazenmakers zijn behalve vaklui met een populaire rubriek in de gele gids ook insecten, meer bepaald libellen. Een ondersoort daarvan zijn de venglazenmakers, één van de grotere libellesoorten (65 tot 80mm) die makkelijk een spanwijdte van meer dan 10 cm kunnen bereiken. Ze werden voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1758 door Linnaeus. Aan die beschrijving is nu door de entomoloog Rassim Khelifa van de universiteit van Zürich een opmerkelijk hoofdstukje toegevoegd. Vooraf moet je weten dat venglazenmakers een dik uur doen over een copulatie. Net zoals dat ongetwijfeld ook bij u thuis gebeurt eindigt die paring niet per se waar ze werd begonnen. Ze begint net boven het wateroppervlak en eindigt in de boomkruinen ; van de grond gaan kunnen glazenmakers als de beste!
Het mannetje bevrucht daarbij alle eitjes die naderhand door het wijfje met haar legboor onder het wateroppervlak in de begroeiing worden gedeponeerd. Het mannetje verdwijnt daarop uit beeld, neemt geen enkele taak op in de bescherming van zijn nageslacht. Het vrouwtje houdt zich gedeisd , tracht uit de belangstelling van andere mannetjes te blijven, omdat een nieuwe copulatie haar voortplantingsorgaan zou kunnen beschadigen. Khelifa stelde vast dat vrouwtjes daar soms wel erg ver in gingen ; achternagezeten door hitsige mannetjes lieten ze zich in volle vlucht plots voor dood neervallen en bleven roerloos op de grond liggen tot de mannetjes hun belangstelling verloren en wegvlogen. In 10 jaar observatie van diverse soorten libellen had hij nooit dergelijk even gewiekst als halsbrekend gedrag genoteerd. Van de 31 exemplaren die hij observeerde stelde hij bij 27 daarvan de 'sudden-death' duik vast. Niet zozeer het veinzen is vreemd- dat was al eerder vastgesteld- maar het aan hoge snelheid plots voor dood neervallen ( wat niet zonder risico is) lijkt nieuwe informatie te zijn. Volgens Adolfo Cordero-Rivera van de universiteit van Vigo (Spanje) moet de verklaring voor deze riskante strategie gezocht worden in een tijdelijke oververzadiging van mannelijke glazenmakers in de lucht .

Bron : New Scientist 27/4/17
Ecology, DOI: 10.1002/ecy.1781

Vorsprung durch Technik

De foto toont wat vandaag rest van een burcht in de Harz, een landstreek in Midden- Duitsland. Niets ongewoons, hoewel.. Het onooglijk hoopje stenen , restanten van een imposant twaalfde eeuws kasteel , wordt met bijzondere aandacht onderhouden omdat het aan de basis ligt van de naamgeving van één van de bondslanden : Saksen -Anhalt.

Wanneer je van Noord naar Zuid een brede schuine band door Duitsland trekt en daarbij in grote mate de rivier de Elbe volgt dan breng je ongeveer de leefwereld van de Saksen in kaart; in het zuiden de Saksen, in het noorden de Neder-Saksen en daar tussenin de 'Saksen-Anhalters'. De burcht Anhalt was het moederhuis van het adellijke geslacht van de Ascaniërs, waarvan de stamvader Willem de Beer (1098-1170) uit het plaatsje Ascherleben ( in Saksen-Anhalt) afkomstig was waarvan Ascania de Latijnse variant is. In de loop van de geschiedenis kwam het centrum van Anhalt meer en meer te liggen rond de stad Dessau ( vandaag 115.000 inw) . In de 17de eeuw was het vorstendom Anhalt-Dessau ongeveer 600 vierkante kilometer groot en telde het hoop en al 30.000 inwoners. Het was onderdeel van het Koninkrijk Pruisen, dat toen nog geen grote Europese speler was maar het spoedig zou worden en wel in grote mate dank zij de Arcaniër Leopold I von Anhalt-Dessau (1676-1747), die technisch vernuft combineerde met een aardige dosis gezond boerenverstand.

Leopold I kwam reeds op 19 jarige leeftijd aan het hoofd te staan van zijn vorstendom dat door de 30 jarige oorlog kompleet vernield en zo goed als bankroet was. Door een aantal verstandige bestuurlijke beslissingen slaagde hij er in om van zijn vorstendommetje een model-staat binnen het Brandenburgs-Pruisische koninkrijk te maken. Maar dat hij uiteindelijk de geschiedenis zou ingaan heeft niets met deze nochtans opmerkelijke prestaties te maken. Gezien het vorstendom Anhalt-Dessau binnen het koninkrijk weinig gewicht in de schaal wierp en hij dus weinig kans maakte om een belangrijke positie te bekleden ging hij in het leger , eerst onder Frederik I (1657-1713) dan onder Frederik-Willem (1688-1740) en ten slotte ook onder Frederik de Grote (1712-1786). Hij klom erin op tot Veldmaarschalk en behaalde zijn belangrijkste overwinningen tijdens de Silezische oorlogen van Frederik de Grote. Dat die uiteindelijk Silezië kon binnenrijven had hij in grote mate te danken aan Leopold von Anhalt-Dessau, niet zozeer omwille van zijn strategisch vernuft ( dat er ook wel was) maar omwille van zijn technisch verstand en doorzicht dat het Pruisisch leger volledig had hervormd en het van een zootje ongeregeld tot een gevreesde en slagkrachtige machine had gemaakt .
Na de 30-jarige oorlog werd de lontonsteking in musketten vervangen door een vuursteenontsteking. Lonten werden vaak vochtig en dus onbruikbaar, maar bovendien gaven ze , omdat ze vooraf in chemicaliën waren gedrenkt, een erg specifieke geur af waardoor een verrassingsaanval bij voorbaat tot mislukken was gedoemd (vandaar ook het gezegde ' lont ruiken'). Deze van vuursteenontstekingen voorziene musketten , eigenlijk 'snaphanen' genoemd , waren nog steeds voorladers waarbij kogel en kruit met een laadstok in de loop werd gedrukt. Die houten laadstokken hingen standaard aan haakjes onder de geweren . Leopold kwam als eerste op het idee om die houten laadstok te vervangen door een ijzeren exemplaar. Zo voorkwam hij een euvel dat in het heetst van de strijd meer dan eens voorkwam, namelijk dat de stok afbrak in het geweer wat , nefast kon zijn voor het wapen, maar ook voor de schutter omdat die dan onbeschermd achterbleef.
Naast deze technische vernieuwing concentreerde Leopold zich ook en vooral op wat je de martiale coreografie zou kunnen noemen, waarvan de ultieme restant nog terug te vinden is in de paradepas. In het Duits noemt men die 'Gleichschritt'. Zo 'n paradepas werd al door de Romeinen toegepast maar het Pruisische leger was het eerste dat hem weer herinvoerde en zeer consentieus toepaste, met dagelijkse verplichte drill, voor alle onderdelen van het leger. De paradepas vormde de basis voor de coreografie die er in de strijd moest voor zorgen dat soldaten allemaal op hetzelfde moment dezelfde bewegingen uitvoerden ( laden, aanleggen, schieten ) . Die ingestudeerde nummertjes zorgden ervoor dat elke Pruisische soldaat 3 kogels/ minuut kon afvuren daar waar dit bij de concurrentie maar twee kogels per minuut was. Gezien artillerie in die dagen in salvo's van telkens vier rijen opereerde ( 1 rij schietend en de drie anderen in telkens in een ander stadium van ladend/richtend) konden de Pruisen het zich veroorloven om in 3 rijen te werken en nog slagkrachtiger te zijn dan de vijand. De uitgespaarde soldaten konden dan elders worden ingezet.
De paradepas bestaat uit 114 passen per minuut, waarbij elke pas 80 cm breed is. Hij wordt wereldwijd toegepast, ook nog steeds door de Bundeswehr, met die uitzondering dat de Duitsers uit angst voor wat een resonantiecatastrofe wordt genoemd, de pas stilleggen wanneer ze een brug over moeten . Vermoedelijk is dit overal zo ( zeker bij de Britten die al zo' n resonantiecatastrofe meemaakten) maar ik heb daar enkel bij de Duitsers een bevestiging over gelezen.
Een ander Pruisische paradepas wordt door de huidige Bundeswehr niet meer uitgevoerd wegens onzalige herinneringen; de ganzenpas ( Stechschritt in het Duits) , waarbij de gestrekte benen soms een hoek van 90° vormen ( soms zelfs nog meer); het resultaat is een bevreemdend schouwspel, een soort martiale cancan die eerder op de lachspieren werkt, hoewel hij eigenlijk was uitgedacht om de superioriteit van de krijgsmacht in de verf te zetten.

De ganzenpas is bij uitstek de paradepas van de totalitaire regimes; de Nazi's gebruikten hem ( nadien ook de Nationale Volksarmee van de DDR) , fascistisch Italië had zijn 'passo Romano' en vandaag wordt hij nog toegepast in China, Rusland en Noord-Korea waar de hoogte van het gestrekte been absurde dimensies aanneemt en ongeveer overeenkomt met de hoogte waarop hun afgeschoten raketten weer in zee storten ( een ander kenmerk van absolute regimes zijn de grote kepies die altijd een beetje aan een vliegdekschip doen denken).

Maar terug naar Pruisen waar na de ingrepen van Leopold I von Anhalt-Dessau de laatste efficiëntieverhogende ingreep door de soldatenkoning Frederik-Willem himself werd doorgevoerd ; lange kerels. Hij had gezien dat soldaten die minimum 1m75 groot waren het best geschikt waren om in heel die oorlogscoreografie elke beweging soepel uit te voeren en dus lanceerde hij met succes een campagne om 'lange Kerle' in zijn leger in te lijven.
Het staat inmiddels buiten kijf dat de drie hierboven genoemde ingrepen de zoon van Frederik-Willem, Frederik de Grote in staat hebben gesteld om van Pruisen een belangrijke Europese speler te maken, met voorheen nooit geziene gebiedsuitbreidingen. Toch is het op z'n minst bevreemdend te noemen dat het woord Pruisen nog steeds geassocieerd wordt met de martiale discipline die toen inderdaad is ontstaan , maar die nauwelijks een halve eeuw later niet bestand was tegen het strategisch vernuft van Napoleon, wiens naam in brede middens nog steeds ongegeneerd verheerlijkend mag worden gebruikt .

De stad Dessau zou in de 20ste eeuw opnieuw de geschiedenisboeken halen als standplaats van de kunst- en architectuuropleiding Bauhaus.

Nabij het Poolse Gryfino staat een vreemd natuurfenomeen dat inmiddels beschermd is : het kromme bos. Het gaat om dennen die in de jaren dertig werden aangeplant en die om een mysterieuze reden laag boven de grond een kromming maken en dan weer recht omhoog groeien, allen gericht naar het noorden. Wetenschappers zijn al met verschillende theorieën komen aandraven maar geen enkele blijkt een sluitende verklaring te geven.

Seth & Osiris: mythologie en biologie

In de Egyptische mythologie speelt Osiris een cruciale rol . Geboren uit een incestueuze relatie tussen de Geb, de god van de aarde en zijn zus Noet werd hij de eerste koning van het oude Egypte. Ook hij huwde met zijn zus, Isis en samen zouden ze een zoon krijgen, Horus, maar dat zou niet gaan zonder de vernietigende tussenkomst van Osiris' jaloerse broer Seth. Die wilde zelf graag koning worden en op een feest kreeg hij Osiris zo ver dat hij in een vooraf geprepareerde kist ging liggen, die Seth daarop dicht maakte en in de Nijl wierp. Osiris verdronk en werd door Isis uit het water gehaald. Dat zinde Seth niet en hij haalde het lijk uit elkaar en verspreidde de resten over heel Egypte. Isis slaagde erin alle resten weer bij elkaar te brengen, behalve de penis die zij niet terugvond. Middels een gouden Ersatz-phallus ( in sommige versies is het gewoon een tak) en een magische spreuk die zij van haar vader had geleerd, slaagde zij er vooralsnog in om van Osiris zwanger te geraken en uiteindelijk diens zoon Horus op de wereld te zetten. Osiris werd daarop gecatapulteerd tot god van de vruchtbaarheid. Je zou voor minder. Alles samen een gekke geschiedenis zo op het eerste zicht, maar eigenlijk niet half zo gek als een onbevlekte ontvangenis...
Evil Brother Seth, echt het prototype van een manipulatieve psychopaat , is nu omwille van die eigenschap, maar vooral omwille van de uitgekiende truuk met de houten kist in de nomenclatuur van de biologie opgedoken. Het is daarbij haast griezelig te noemen hoe parallel een bij elkaar gefantaseerd 'menselijk' verhaal en een biologisch fenomeen kunnen zijn..

 

Scott Egan , verbonden aan het laboratorium voor evolutionaire biologie aan Rice University in Houston is een specialist op het gebied van galwespen. De galwesp, Basettia pallida , is een parasiet die z'n eitjes legt in takken van eiken die daardoor een kenmerkende gezwelachtige uitstulping vertonen, waarbinnen de larve al etend groeit . Wanneer ze is volgroeid eet ze zich een weg doorheen haar ' bekisting ' naar buiten en vliegt weg. Egan had dit proces reeds duizenden malen van nabij meegemaakt; hij had de gewoonte met galwespen geplaagde eikentakken in een aquarium op zijn bureel te plaatsen. Op zekere dag, niet eens zolang geleden, merkte hij voor het eerst iets vreemds op. De meeste galwespen knaagden zich uiteindelijk zonder problemen naar de oppervlakte, maar sommigen bleven met hun kop in de opening zitten en geraakten niet verder omdat ze de opening te klein hadden geconcipieerd.
Geïntrigeerd trok Egan samen met parasitologe Kelly Weinersmith op onderzoek uit en viel van de ene verbazing in de andere. Ze troffen in de onderzochte eiken, in het verlengde van de onfortuinlijke galwespen een voorheen niet gekende wespensoort aan die zich voedde met de galwesp die in het hout bleef vastzitten. De soort legde haar eitjes in de galwesp, die daardoor geprogrammeerd werd om een te kleine vluchtopening te boren om zo tot voedsel te dienen voor de larve van de hyperparasiet; een parasiet dus die leeft op kosten van een andere parasiet. De larve vreet zich dus een weg naar de oppervlakte doorheen het lijf van de galwesplarve. Egan en Weinersmith noemden de indigoblauwe wesp eerst gewoon 'Crypt-keeper wasp' , maar bij de publicatie en het wereldkundig maken van de soort werd ze naar de Egyptische mythologische figuur 'Euderus Set' genoemd.

Wat de biologie nu bezig houdt is een verklaring te zoeken voor dit opmerkelijk parasitair en nogal wreedaardig gedrag.
De verklaring gaat op dit ogenblik in de richting van een parasitaire ketting waarbij een soort behorend tot de familie van de Mymaridae ( de kleinste gekende insecten) als hyperhyperparasieten aan het langste eind trekken. De Euderus Set zou door het dichtpluggen van het gat met de kop van de galwesp vermijden dat ze zelf gastheer wordt van deze hyperhyperparasiet..

( Bron: www.theatlantic.com)

 

 

Euderus Set
12. jan, 2017
Een visionair is iemand die zich de toekomst herinnert
De Amerikaanse filosoof Richard McKay Rorty (1931-2007) in zijn boek ' Achieving our Country' uit 1998:

"Members of labor unions, and unorganized and unskilled workers, will sooner or later realize that their government is not even trying to prevent wages from sinking or to prevent jobs from being exported. Around the same time, they will realize that suburban white-collar workers—themselves desperately afraid of being downsized—are not going to let themselves be taxed to provide social benefits for anyone else.

At that point, something will crack. The nonsuburban electorate will decide that the system has failed and start looking around for a strongman to vote for—someone willing to assure them that, once he is elected, the smug bureaucrats, tricky lawyers, overpaid bond salesmen, and postmodernist professors will no longer be calling the shots. . . . Once the strongman takes office, no one can predict what will happen."

TGM

Hanna is de naam van een een uiterst vruchtbare, ongeveer 1500 vierkante km grote landstreek in Moravië , in het oosten van Tsjechië. De inwoners, die een dialect spreken dat door Duitse ( vooral Beierse) invloeden sterk afwijkt van het standaard Tsjechisch worden 'Hannaken' genoemd. Ze zijn sterk verankerd in hun wat aparte cultuur en vooral de oudere generatie durft nogal eens in de traditionele klederdracht opduiken . Tijdens de jaren van de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie was de voertaal er het Duits; veel van de steden en gemeenten droegen tot in 1945 een Duitse naam . Zo ook het Zuid-Moravische stadje Auspitz, dat nu Hustopeče heet. Daar werd in 1813 in een Duitstalige boerenfamilie Theresia Kropaczek geboren. Ze volgde een opleiding tot dienster in Wenen en werd uiteindelijk kokkin op het Keizerlijke landgoed in Göding, nu Hodonín. In 1849 huwde ze daar nogal onverhoeds met de koetsier Joseph Masarik. Ze had toen al een onechte zoon ter wereld gebracht, maar die was als baby reeds overleden. Ook toen ze met Masarik huwde was ze drie maanden zwanger. Het feit dat ze ver onder haar stand huwde met een ongeletterde koetsier van Slovaakse oorsprong die daarna aan een mooie carrière begon binnen de Keizerlijke hofhouding heeft er steeds voor gezorgd dat er aan het vaderschap van Masarik werd getwijfeld. Het jongentje dat in 1850 in Hodonín als Tomáš Masarik ( later zou het Masaryk worden) werd geboren zou uitgroeien tot een toonaangevende professor filosofie aan de universiteiten van Wenen en Praag, maar ook tot één van de stichters van de Tsjechoslovaakse republiek in 1918 waarvan hij prompt de eerste president werd. Een post die hij zonder onderbreking zou bekleden tot in 1935. Tomáš Garrigue Masaryk staat zowel in Tsjechië als in Slovakije in hoog aanzien, wordt er nog steeds 'Vadertje Masaryk' genoemd, of gewoon kortweg TGM ( de tussennaam ' Garrigue' is die van zijn Amerikaanse echtgenote).
Theresia zou nog vier kinderen krijgen met haar koetsier, maar geen enkele daarvan zou hoge toppen scheren. Tomáš daarentegen was een briljante ( en soms recalcitrante ) geest die met de vingers in de neus door school en universiteit trok ( eerst Wenen, daarna Leipzig). Hij leek ook steeds enorm veel geluk te hebben , of op z'n minst door een hogere macht beschermd te worden; zo werd hij in Brno van school gestuurd omdat hij de prefect ( zelfs fysiek) had aangevallen en werd hij daarop geruisloos naar Wenen verkast waar hij gewoon verder les kon volgen aan het prestigieuze Akademische Gymnasium. Dat was in latere jaren natuurlijk allemaal koren op de molen van de dietrologen, de geschiedschrijvers die hun fantasie niet in bedwang hebben en die nog steeds beweren dat de werkelijke vader van Tomáš Masaryk, Keizer Franz-Joseph I (1830-1916) in hoogsteigen persoon was .

Omdat het gerucht al zo lang aanhoudt en men vandaag de middelen heeft om dat ook daadwerkelijk te onderzoeken heeft de regisseur Hendrik Vondráček zich tot doel gezet de Tsjechische natie dit jaar uit het ongewisse te halen, want het zou wat zijn , bijna een grap van de geschiedenis, mocht één van de doodgravers van de Dubbelmonarchie uitgerekend de zoon van de keizer zijn geweest . Er liggen in het aan Masaryk gewijde museum in Hodonin/ Göding genoeg artefacten van de man om er DNA-gegevens uit te halen. Voor de Keizer ligt dat moeilijker , maar er is natuurlijk de bebloede zakdoek van zijn in Sarajevo vermoorde neef, Aartshertog Franz Ferdinand die gebruikt zou kunnen worden om te zien of er Habsburgs bloed door Masaryks aderen stroomde. Vondráček schat de kans dat de Keizer de vader was op zo'n 25%. Anderen halen details aan die de Keizer wel erg dicht bij dat vaderschap brengen. Ze beweren bijvoorbeeld dat Franz Joseph ten tijde van de vermoedelijke conceptie zeker in Göding is geweest ( dat op 100 km van Wenen ligt) omdat hij op weg was naar Hongarije waar een opstand aan de gang was. Een ander heeft in het dagboek van de Keizer gesnuisterd en daar op de dag van het huwelijk van Theresia Krapoczek met Joseph Masarik in het handschrift van de Keizer de inscriptie " Kropaczek erl" zien staan. Het 'erl' zou dan voor 'erledigd' staan , wat dan zoveel zou betekenen als 'Kropaczek afgehandeld'..
Zoals veel gekroonde hoofden was ook Franz Joseph een enthousiast schuinmarsjeerder ; hij had thuis een kast vol scheve schaatsen staan. Zijn voorliefde ging uit naar mooie oudere vrouwen uit het gewone volk. Theresia Kropaczek ( later 'Kropáčková' in het Tsjechisch) beantwoordde zeker aan die eisen , ze was 36 in 1849, de Keizer amper 19. Op de enige foto uit die tijd die ik op internet vond lijkt ze niet bepaald een omverwerpende schoonheid te zijn geweest. Maar je moet natuurlijk ergens oefenen wanneer de hertogin van Beieren in de wachtkamer zit.
Het gevolg van zijn uitbundige lendenen was een hele rits aan ongewenste nakomelingen, die evenwel steeds gul uit de staatskas werden bediend en konden rekenen op de Keizerlijke bescherming wanneer die van doen was..

Masaryk , die in Wenen was gepromoveerd op een sociologische benadering van het fenomeen zelfmoord, was daarnaast ook een markante politieke persoonlijkheid die in West-Europa ten onrechte nauwelijks bekendheid geniet. Ook hedendaagse politici , zeker ook een aantal leiders in Oost-Europa kunnen nochtans lering trekken uit zijn voorzichtige maar realistische en wars van nationalistische romantiek aangehouden koers van respectvol samenleven in een multiculturele omgeving. De Dubbelmonarchie was natuurlijk zo'n multiculturele staat die door slecht en vaak onhandig bestuur een multiculturele knoop was geworden . In de jaren 80 van de 19de eeuw richtte Masaryk het tijdschrift 'Athenaeum' op waarin hij het opnam voor de Tsjechische cultuur en identiteit, maar tegelijk ook bleef benadrukken dat die identiteit niet mocht of kon gestoeld zijn op valse, of historisch fout geïnterpreteerde documenten of gebeurtenissen. Hij streek daarmee zeker en vast een aantal Tsjechen tegen de haren in , zoals ook zijn pro-joodse stellingnames in die kringen niet erg gewaardeerd werden. Hij zetelde voor zijn Tsjechische partij ( eerst 'Jungtschechen' , later 'Realistische Partei' ) tot 1914 in de Weense Reichsrat. Hij was al 64 toen de 1ste WO uitbrak en hij met een Servisch paspoort het land ontvluchtte. Na omzwervingen ( onder meer in Nederland) kwam hij in Engeland terecht waar hij samen met Edvard Beneš (1884-1948) zijn ideeën over een onafhankelijk Tsjechoslovakije uitwerkte en die ook aan de geallieerden verkocht kreeg. Reeds in november 1918 werd hij tot president uitgeroepen; hij bevond zich nog in Engeland op dat ogenblik maar had in het land zo' n reputatie opgebouwd dat hij het probleemloos haalde en dat keer op keer tot in 1935 zou blijven doen. Het Tsjechoslovakije van 1918 herbergde behalve Slovaken en Tsjechen uit Bohemen en Moravië ook belangrijke Duitse, Poolse , Hongaarse en Russische minderheden. Toch slaagde hij er op één of andere wijze in al die bevolkingsgroepen in relatieve harmonie met elkaar te laten samenleven. Hij bezat dan ook bij elk van die groepen een erg hoog moreel gezag dat in zekere zin, over zijn dood heen nog steeds blijft voortduren ; Tsjechen en Slovaken kunnen het maar moeilijk hebben dat hun TGM door het slijk wordt gehaald. Masaryk werd opgevolgd door Beneš en intussen maakte zijn zoon Jan Masaryk (1886-1948) zijn opwachting om aan een politieke carrière te beginnen die in 1948 al dan niet op aansturing van Stalin zou eindigen in een dramatische defenestratie.

Tomáš Masaryk overleed in september 1937, zes maand voor de Nazi- overval op zijn land.

Het is nu wachten op de resultaten van het onderzoek waar in Tsjechië met spanning wordt naar uitgekeken. Vondráček houdt er nog steeds rekening mee dat de in de nevel van de geschiedenis verdwenen Joseph Masarik daadwerkelijk de vader was. Maar ook wanneer dat niet zo zou zijn heeft hij de geschiedis van zijn land met zijn naam de herinnering aan een tijdperk gegeven waarin volkeren voor het eerst in eeuwen op eigen benen stonden en daarin slaagden.

Masaryk zelf heeft nooit anders dan met lof over zijn vader gesproken; hij gaf hem de Slovaakse wortels die hem naast de Duits-Tsjechische van zijn moeder tot een echte Tsjechoslovaak maakte.